Gekort

- Geheel - - Gedicht - - Gekort - - Gastenboek - - Gekiekt - - Gepeins -

 

DE MILDE MONARCH                              Michiel Hanon

Er zijn van die plaatsen, daar kom je er een tegen. Dan is er geen twijfel mogelijk. Daar midden in het bos rijst hij op: de mooiste boom. Bijvoorbeeld een beuk. Groot, dus oud, en goed geproportioneerd. De boom die van wandelaars de meeste belangstelling krijgt, wiens bladertooi wordt bewonderd, waar meerdere wandelpaadjes heen leiden, en die een of meer naburige bankjes waard is. De boom die identiteit geeft aan het bos, zoals de Eiffeltoren of het Vrijheidsbeeld aan een stad, symbool voor iets dat niet voorbij gaat. Vaak een ware bedevaartplaats voor bezoekers.

Natuurlijk wisselt zijn verschijning per seizoen. In de zomer is hij een groene oase. Maar ook in de winter pronkt hij met zijn takkenkrans, en kan zijn majestueuze kroon afsteken tegen waterig winterblauw. De statige boom, waarvoor vogels een voorkeur hebben om vanaf een hoge tak het bos te kunnen bekijken, waaronder kinderen het liefst spelen op een bedje van mos en door massale wortels gevormde bobbels, en waar zij aan lage, vreemd gekronkelde takken kunnen hangen.

De Schepper heeft er lang over na kunnen denken, welke boom Hij in het bos het voorrecht zou schenken om een leidinggevende functie te gaan vervullen, en hoe deze functie in de loop der jaren zou worden vormgegeven. Was hem dit voorrecht al als klein zaadje toegedacht, of deed zijn bijzondere ontwikkeling hiertoe besluiten?

Deze boom der bomen is anders dan de koning der dieren of de menselijke heerser, want goedaardig en mak. Een vriendelijke vorst, een heerlijke heerser, een milde monarch. Een regeerder met een natuurlijk overwicht, die zijn gezag ontleent aan omvang en anciënniteit. Een echte primus inter pares. Een onwrikbare heerser die niet agressief is, die zijn macht niet heeft bereikt met bloedvergieten. Niet iemand die periodiek moet bewijzen dat hij nog de sterkste is. Een sociaal wezen met een hart van hout, maar ook van goud. Een voorbeeld voor ons allen.

Het dierenrijk is wat het is. De Schepper had hier een duidelijke gedachte voor ogen, hoewel de uitwerking in de visie van ons - zelfbewusten – wel wreed is uitgevallen. Maar had Hij bij Zijn Ultieme Creatie niet wat meer die eerdere creatie van de boom als voorbeeld kunnen nemen? We hebben in de mensenwereld zo’n behoefte aan die milde monarch!

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze 

 

OP WEG NAAR HET WERK                          Michiel Hanon

Juist voordat ik ’s morgens, nadat ik mijn fiets heb gestald, mijn werkplek bereik, kom ik altijd op hetzelfde punt een snel lopende, strak voor zich uit kijkende jonge vrouw tegen. Waar komt ze vandaan? Waar gaat ze heen? Hoe kan het dat we elkaar iedere dag op hetzelfde punt treffen, terwijl we waarschijnlijk van zo verschillende plaatsen afkomen, en zulke verschillende routinematige dingen doen om hier te arriveren? Wanneer is dit eigenlijk begonnen? Ik werk hier al jaren, maar deze vrouw is misschien op enig moment van werk veranderd, waardoor ik haar nu tegenkom. Hoe lang zal dit nog duren?

Ik moet denken aan de jonge vrouw die ik, fietsend naar mijn werk, een tijd lang dagelijks op de Scheveningseweg in Den Haag tegemoet kwam. Ze liep kordaat voort terwijl ze een boek las. Wat kon haar bekoren, een doktersroman of Vestdijk? De Scheveningseweg is best lang; de meeste mensen zouden de fiets of zelfs de auto pakken. Maar dan is tegelijkertijd een boek lezen wel een stuk lastiger.

En dan, in een latere periode, was er de jonge, zeer slanke vrouw die, altijd in het zwart gekleed, ditzelfde traject van de Scheveningseweg afliep. Als ik vroeg was, trof ik haar nog op het verlengde van de Scheveningseweg. Ze kwam dus helemaal uit het centrum lopen. Was ze zo gek op wandelen of was hier een andere reden voor?

De vrouwen van de Scheveningseweg keken me nooit aan, wat van de lezende vrouw wel begrijpelijk is. Waar zijn de vrouwen gebleven? Ze zullen wel, net als ik, op weg naar het werk zijn geweest. Beviel het werk hun niet meer? Zijn ze overgeplaatst?

Van de jongen en het meisje in de puberleeftijd, die ik een zekere periode met fietsen aan de hand halverwege dezelfde Scheveningseweg aan de kant zag staan, kan ik me voorstellen dat dit maar een tijdje zou duren. Ze zoenden altijd innig en namen dan van elkaar afscheid. Kennelijk zaten ze op verschillende scholen. Niet dat ik denk dat hun prille liefde een kort leven was beschoren, maar op die leeftijd gaat alles snel en verandert er veel. Je komt op school en je gaat er wat later weer af. De tijdelijkheid ervan zit ingebakken. Als je gaat werken ligt dat anders.

En ik? Ik fiets al jaren dezelfde route naar mijn werk, en kijk naar de dingen die komen en gaan. De dag dat ik mijn laatste tochtje naar het werk zal maken nadert. Zal er iemand zijn die dit opmerkt?

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze 

 

MIJN VAKANTIE                             Michiel Hanon

Een niet verstuurde ansichtkaart ligt op een kastje in mijn slaapkamer. De foto op deze kaart staat voor mij symbool voor de ideale vakantie: samen met een vriendin in een open Fiat 500 – de echte, niet de lookalike - naar Zuid-Europa trekken. Over onverharde weggetjes op weg naar de cipressen en onbekende bestemmingen. Dat is Het Echte Leven!

De vriendin is een opgeruimde, leuke vrouw met humor, liefst de vrouw die ik Mijn Vriendin mag noemen. We genieten van de vrijheid. Een klein, niet te comfortabel autootje is goed genoeg, nee leuker dan een dure bolide. Eigenlijk staat dit voor weinig hebben, maar veel genieten. Want het gaat in dit leven niet om het materiële bezit; je moet ontdekken en beleven! Rijdend schijnt de zon op onze bol, en de omgeving krijgt een steeds zuidelijker aanblik. We zijn Op Weg, het onbekende tegemoet, maar anders dan Jack Kerouac.

Ooit kwam ik in de buurt van dit ideaalbeeld, toen ik met mijn toenmalige vriendin met een kleine auto, hoewel geen Fiat 500, kamperend naar het Zuiden trok. Maar ook werd het lang geleden benaderd door een reis naar Italië, in een echte Fiat 500. Maar dit was dan weer samen met mijn broer.

Inmiddels is de verwerkelijking van een dergelijke vakantie verder weg dan ooit. Ook al zal ik de niet meer zo jeugdige zorgeloosheid nog wel op kunnen opbrengen, en kan ik ook wel voor een geschikte Fiat zorgen, de onontbeerlijke opgeruimde leuke vriendin met humor ontbreekt.

Voorlopig koester ik deze ansichtkaart, en kijk ik er met regelmaat naar, opdat ik niet vergeet.

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze 

 

HET BEELD                                            Michiel Hanon

van enkele feestelijk uitgedoste, zojuist voor hun eindexamen geslaagde studenten, die in een fleurig versierde roze Buick cabriolet 1950 langzaam langs het stadsparkje rijden, op weg naar de boulevard van de badplaats, om voor het laatst gezellig samen uit te gaan,

met een vage wens om bij elkaar troost te zoeken wegens het moeten afsluiten van een mooie periode in hun leven, terwijl vruchteloos wordt getracht de tijd te stoppen en het naderende afscheid uit te stellen,

onbewust van de daar aanwezige, voor hen symbolische grens tussen twee werelden, op welke punt zij – alvorens te gaan feesten - gezamenlijk verwachtingsvol maar nederig over zee zouden moeten uitkijken, en - als bij een soort kerkgang - de wens van een goede toekomst voor zich uit zouden moeten prevelen, 

nog nauwelijks bewust van die lonkende, onbekende toekomst, van de aan de nieuwe status van jong volwassene verbonden verantwoordelijkheid voor werk en gezin, naar welke rol een deel van de groep reeds de eerste stappen zette, 

nog onbewust van het nog ver in de toekomst liggende tijdstip waarop zij elkaar bij de eerste reünie zullen weerzien, bij welke gelegenheid zal worden geconstateerd dat hij of zij al dan niet is veranderd, maar goed terecht gekomen en toch wel wat dikker geworden, en oude verhalen zullen worden opgehaald over die onbezorgde tijd van studeren, luieren en feesten, terwijl van enkele afwezigen vernomen zal zijn of worden dat het niet zo goed met hen is verlopen,

als gevolg van het toevallig getuige zijn van welk beeld bij een, zojuist in dat parkje uitrustende al wat oudere man het beeld terugkomt van de dag waarop hij afscheid nam van zijn studievrienden,

dat hem er toe zal brengen weer contact te zoeken met die goede vriend uit zijn studietijd die niet op de laatste reünie aanwezig was, kennelijk omdat het leven hem niet had gebracht wat hij ervan had verwacht, toen zij met elkaar in een rode 2CV 1963 naar de badplaats reden, en hij op die reünie niet geconfronteerd wilde worden met het oneerlijke en onvermijdelijke verschil in het geluk dat mensen in hun leven ten deel valt.

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze 

 

NAAR DE HAAGSE MARKT                      Michiel Hanon

Het is zaterdagmiddag en mooi weer. Als ik naar de markt ga, neem ik altijd de tijd, en wil ik alles even zien. Ik word bij het Hobbemaplein verwelkomd door een aantal zwaarlijvige mannen, vrouwen en kinderen, die uit grote zakken met patat staan te eten. Ik start altijd op het pad dat het verst verwijderd is van tram lijn 11. Daar is het nog relatief rustig. Bezoekers van velerlei afkomst krioelen door elkaar op de smalle straatjes tussen de kraampjes. Als je bang bent voor veel mensen bij elkaar, moet je hier niet zijn, dat is wel duidelijk. Aan het eind van mijn laatste pad bevinden zich de meeste stalletjes met groente en fruit. Dit is het drukste gedeelte.

Ik vermijd op mijn route de “visafdeling”, of tracht er zo snel mogelijk door te lopen zonder door mijn neus te ademen. Onbegrijpelijk dat mensen hier kunnen overleven. Grote en kleine kadavers staren je liggend in lange rijen aan. Juist bij deze afdeling pleeg ik een bekende tegen te komen die even een praatje wil maken. In voorkomend geval trek ik deze eerst snel naar een veilige plek, of geef aan dat ik veel haast heb en helaas door moet lopen.

Op de markt is het ieder voor zich en God voor ons allen. Het vereist de nodige vaardigheid om je hier te bewegen. Dat het druk is, begrijp ik. Het ongeduld van, en het weinig rekening houden met anderen door sommige mensen is echter niet prettig. Het gebeurt dat mensen midden op het pad staan te praten of zonder zich om anderen te bekommeren naar een tegenoverliggende kraam willen oversteken. Je probeert daar rekening mee te houden en wacht geduldig je beurt af, geeft iemand ruimte of je schuift behoedzaam verder. Helaas vinden sommige mensen die achter jou lopen dat dit te langzaam gaat. Kennelijk ben ik te beleefd, want ik word in mijn rug geduwd of ervaar dat mensen mij links of rechts trachten te passeren.

Dit zou allemaal nog niet zo erg zijn, als er geen boodschappenwagentjes en kinderwagens zouden worden meegenomen. Goed, ik begrijp dat ouders hun jongste kroost moeten meenemen. Ik laat mensen met een kinderwagen altijd voorgaan, om te voorkomen dat mijn schenen te veel blauwe plekken krijgen. Maar die boodschappenwagentjes zouden moeten worden verboden. Of de eigenaren hiervan zouden tenminste eerst een rijvaardigheidstest moeten ondergaan. Opvallend is namelijk dat deze boodschappenwagentjes als levenloze uitstulping achter de persoon worden meegetrokken. Een verlengstuk waarvan de eigenaar zich het bestaan nauwelijks meer bewust is. Hij of zij houdt daarom niet in de gaten waar dit vehikel zich op het pad bevindt. De eigenaar pleegt links en rechts kramen te bezoeken, waardoor het wagentje wel meedraait, maar het middelpunt van de wielen niet van plaats verandert. Het wagentje blokkeert dan globaal voor de helft het pad.

Dit zijn steeds terugkerende gedachten als ik de markt betreed. Het gebeurt altijd weer zo, en het zal nooit anders zijn. Een dergelijke terugkerende gedachte heb ik ook als ik in de supermarkt naar de kassa loop, en aansluit in de rij. Zal mijn voorganger achter zijn of haar boodschappen op de band ter afscheiding een balkje leggen? Zo nee, zal ik het dan maar doen? Ga ik de persoon achter mij bedienen, of zal ik redeneren: als het voor mij niet wordt gedaan, doe ik het ook niet voor een ander? Ik heb het idee dat mensen – mijzelf meegerekend – eerder een balkje achter de eigen boodschappen leggen als de voorganger dat ook heeft gedaan. Je krijgt daar namelijk een warm gevoel van (“gelukkig zijn er ook nog sociaalvoelende mensen”), dat je aan je nakomer wilt doorgeven. Waar een mens zich toch al niet mee kan bezighouden.

Toch verloopt alles op de drukke markt eigenlijk wel op vredige wijze. Uiteindelijk zijn er in mijn ervaring geen noemenswaardige problemen. Soms moet er nog via het pad op brede pallets groente of fruit worden aangevoerd. Dit blokkeert de weg bijna volledig. Ik hoor echter niemand klagen. Misschien nemen de mensen de ongemakken behorende bij de drukte op de koop toe, en spelen bovengenoemde frustraties alleen in mijn gedachten. Wel wordt er door luidsprekers gewaarschuwd voor zakkenrollers, en lees ik in de krant dat hier kettingdieven opereren. Wellicht spelen er meer problemen tussen marktkooplui onderling, en tussen marktkoopman en marktmeester. Uit de periode dat ik nog advocaat was, kan ik me in beide verhoudingen een zaak met de nodige conflicten herinneren.

Ik vind het wel jammer dat de markt in Den Haag niet aansluit bij het centrum, zoals in Rotterdam. Het zou een gemêleerder publiek opleveren. Ook is er nogal weinig variatie in aangeboden waren. De verkoop van tweedehands spul komt er karig vanaf. Maar ik heb gelezen dat men hier iets aan gaat doen. De markt krijgt een facelift.

Mijn aangeschaft fruit (“alles voor een euro”) is in mijn rugzak gestopt, en ik loop terug. Na afloop wil ik nog langs het centrum fietsen. Mijn fiets had ik met een hangslot vastgezet aan een “nietje”. Wel zo veilig. Helaas bleek bij terugkomst een andere eigenaar zijn tweewieler aan de andere kant van het nietje te hebben geparkeerd, op zodanige wijze dat zijn hangslot mede mijn fietsstang vastklemde. Ik kon dus niet  wegrijden. Er zat niets anders op dan op een paaltje te gaan zitten en wachten, in de hoop dat de pleger van de onrechtmatige daad het niet te laat zou maken, bijvoorbeeld door na sluitingstijd nog een poos op een terras neer te strijken. Op deze wijze kon ik – zij het onvrijwillig – uitgebreid het van de markt terugkomend publiek bestuderen. Gelukkig scheen er nog steeds een lekker zonnetje. Na ongeveer een uur kon ik mijn goed voorbereide shockmonoloog tegen de niets vermoedende dader afsteken, en hoorde ik zachtjes sorry zeggen. Een bezoek aan het centrum zat er deze middag niet meer in.

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze

 

PROVINCIESTAD                                       Michiel Hanon

Op deze laatzomerse dag rust ik na een wandeling vanaf het treinstationnetje wat uit in het park van een historische provinciestad, ver weg van de jachtige metropool. Bij een wat verwaarloosd jeu de boule-baantje komt de zon net boven de boomtoppen kijken. Net als in mijn metropool lopen ook hier een jonge moeder en een kind symbiotisch moeder en kind te zijn. Even verderop is de groene singelrand vandaag het bezit van zonnende jongeren. Zij voegen zich voorbeeldig in de verdraagzaamheid van de stad.

Groepjes fietsende bewoners trekken grinnikend of fluitend aan mij voorbij, op weg naar het historische centrum. Want het is zaterdag en markt op het plein. De vitale kerk begroet hier belangstellend de mensen, en het oude raadhuis ontvangt ook mij als gast.

Ieder kent hier de bohemien, eenzaam vertegenwoordiger van het vrije leven. Hij probeert tevergeefs fluitspelend de winkelende mensen zijn wereldbeeld te geven. Toch klinkt zijn lied in deze stad als een ware symfonie, en zingt het nog lang na tussen mijn gedachten.

Ik wandel verder langs liefelijke huizen. Ze staan bijna verstopt in prachtige tuinen, waar de poezen precies de paadjes weten. De katten turen me vergenoegd aan, alsof ze mij erop willen wijzen: hier had jij ook kunnen wonen.

Een heel andere stad. Maar mensen blijven mensen, met vast gelijke levensproblemen en wensen. Toch zijn deze voor mij als gast niet getuigbaar. Ik ervaar wel rust, zuurstof, een vriendelijke groet. Niemand verwacht hier problemen. Zal ik na mijn pensionering hier komen wonen om mijn kwaliteit van leven te nemen?


Verschenen in: "Zomertijd" korte verhalen, van Jaylen Books 2012

 

DE MELKBOER HELPEN                                                    Michiel Hanon

Er was een tijd dat leveranciers bij je aan de deur kwamen. De bakker, de groenteboer, de melkboer, en zo nu en dan de kolenboer en de scharensliep. Onze melkboer was een goedlachse man, wat gezet, met steeds een sigaar in de mond. Hij had altijd een pet op en een halflang beige jasje aan. Een leren geldtas hing als een sjerp om zijn bovenlijf. Hij verrichtte zijn werk altijd opgewekt, en in een flinke looppas. Ik kan me niet herinneren dat ik hem eens kwaad heb gezien. Deze melkboer had vertrouwen in zijn klanten, en ze kregen krediet, als ze wilden. Er werd dan eenmaal per week afgerekend, geloof ik.

Melk en andere producten, zoals vla en yoghurt, werden toen nog in flessen verkocht. Een krat zuivel had daarom een flink gewicht. Lege flessen werden natuurlijk ook weer meegenomen. Mensen hadden vaak een Tomado rekje, waar drie, of bij grotere gezinnen, zes flessen in konden. De bestelling stond dan vaak op een stukje papier, dat met een wasknijper aan het rek werd vastgemaakt. Of in een opschrijfboekje, dat in een leeg vak of tussen de lege flessen werd gestoken.

De kleur van de aluminium melkdop wees op de inhoud van de fles. Naast veel gevraagde producten als melk en yoghurt had je ook  “lekkernijen” als gortepap en karnemelksepap. Gelukkig vroeg mijn moeder daar nooit om. Het zag er niet uit in de fles, en leek me vreselijk smaken. De melkdoppen werden verzameld voor een goed doel, het zendelingenwerk. Ze waren van zilverpapier en konden worden gerecycled. Omdat er een beetje tin in zat, waren de doppen geld waard. Ook de wikkels van chocoladerepen en bonbons werden ingezameld.

Onze melkboer was dus een aimabel mens, om welke reden kinderen zoals ik het leuk vonden om hem te helpen. En dat mocht bijna altijd. Natuurlijk verdiende je er ook wat mee. Tegen mijn moeder zei ik dan de gevleugelde woorden dat ik “de melkboer ging helpen”. Als dat mocht, en de melkboer was nog niet in onze straat, dan liep ik hem tegemoet. Natuurlijk was zijn route bij mij precies bekend. Soms mocht je helpen op het deel van de route in de buurt van je eigen huis; soms kon je een groter deel van de dag assisteren. In het laatste geval mocht je dan ook mee het ziekenhuisterrein op. Meerdere los van elkaar gehuisveste afdelingen werden op dit terrein bezocht en – als je geluk had – mocht je tenslotte nog mee naar de melkfabriek. Deze melkboer had al een auto, die hij daar parkeerde. Een DKW. Ik ben nog wel eens met hem meegereden.

Deze melkboer ging met zijn tijd mee. In het begin had hij nog een open houten handkar met twee grote wielen. De langste tijd dat ik hem mocht helpen, beschikte hij echter over een futuristische, gesloten stalen driewieler met een soort bromfietsmotor. Het motortje was geïntegreerd met het neuswiel en een stuurstang met draaibaar handvat, waarmee je gas kon geven, zoals bij bromfietsen. De bestuurder werd geacht voor de kar uit te lopen, en deze via de stuurstang dezelfde loopsnelheid te geven. Omdat dit vermoeiend was, mochten wij als kind de chauffeur zijn. De stuurstang kon een halve draai maken, zodat je op de dikke, gekromde stang, die het neuswiel met de achterwielen en de lading verbond, plaats kon nemen. Je hoefde dan niet te lopen. De melkboer zelf paste daar niet tussen. Op zijn beurt nam hij plaats aan een van de open zijkanten van de kar, en liet zich, al sigaar rokend, heerlijk vervoeren.

Het stuk over het ziekenhuisterrein was altijd het mooiste; je kon dan een lange afstand chaufferen. En dat vonden we natuurlijk leuk. Als hij niet door een kind werd geholpen, heb ik wel gezien dat de melkboer op de langere afstand “noodgedwongen” op het neuswiel van de kar plaatsnam, terwijl hij de stuurstang min of meer omhoog hield. Dit zal geen plezierige zit zijn geweest, en hij was eigenlijk veel te zwaar voor deze oplossing.

Als je vol gas gaf, ging de wagen net wat harder dan loopsnelheid. Het motortje maakte een hels kabaal en er kwam vaak een grote blauwe walm uit de uitlaat. Het deerde de melkboer niet. De motor werd natuurlijk over de hele route ontelbare keren aan- en uitgezet. Met behulp van een trekkabel kon je hem aan de praat krijgen. Soms had ik het idee dat het motortje het eind van de dag niet zou halen. Ik kan me niet herinneren dat het er eens mee is opgehouden, maar het zal wel zijn voorgekomen.

Natuurlijk kregen we hier en daar ook koffie aangeboden. Er werden dan altijd grapjes gemaakt en er viel het nodige te lachen. We hadden ook bepaalde uitdrukkingen voor producten, zoals een pakje Margaretha voor plantenmargarine. Ik leerde zo mijn buurt en de bewoners goed kennen. Bij sommige klanten liep je achterom de keuken in, en plaatste je de flessen op het aanrecht. Als mensen niet thuis waren, zette je de bestelling voor de deur. Dat kon toen nog.

In de kar had de melkboer ook een grote stalen melkbus met losse melk, met onderaan een kraantje. Zo’n bus die je bij boerderijen aan de weg zag staan. Sommige mensen wilden losse melk in hun pannetje. Als de bus bijna leeg was, was het een hele kunst om er nog een pannetje mee vol te krijgen. De bus, die aan een open zijkant op de kar stond, moest je naar je toe laten hellen. Vervolgens moest je het kraantje open en dicht draaien, terwijl je het pannetje er onder hield. Ik weet niet meer of de melkboer dit precisiewerkje zelf wilde doen, en welke techniek het beste resultaat gaf. Hij was vol vertrouwen, dus ik denk dat ik dit ook wel gedaan heb.

Om een hele dag melk rond te kunnen rijden, moest de melkboer op bepaalde plaatsen langs de route zijn voorraad aanvullen. Ook in de buurt van ons huis was zo’n opslagplaats. De melkfabriek bracht er met een vrachtauto volle kratten, en nam lege flessen weer mee. De kratten stonden gewoon op de stoep, ergens in een hoek, afgedekt met een los zeil. Dat kon toen nog.

Op enig moment moet het afgelopen zijn geweest. Ik weet niet meer wanneer ik geen zin meer had om hem te helpen. Misschien toen ik naar de middelbare school ging. De melkboer zal het hebben begrepen; kleine jongens worden groot. Hij zal ongetwijfeld nieuwe gegadigden voor de functie van assistent hebben gehad. Hoe lang de man dit werk nog heeft gedaan, weet ik ook niet meer. Eens zal hij zijn laatste rit hebben gelopen, en daarna met pensioen zijn gegaan. Hopelijk heeft onze melkboer lang van een welverdiend pensioen mogen genieten. Ik kan me niet herinneren dat ik heb gelezen of gehoord dat de goede man was overleden. Volgens mij heeft hij geen opvolger meer gehad.


Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze  

Zoiets was het:

 


HETERONOOM                                                                                           Michiel Hanon

In het mij onbekende dorp stond een man voor de ingang van een supermarkt te wachten. Ik verkoos hem om te vragen waar ik in de buurt een pinautomaat kon vinden. Hij legde me omslachtig uit en verontschuldigde zich dat hij hier niet bekend was. Ik kon het beter aan een autonoom vragen, zei hij. Eigenwijs als ik ben, legde ik mijn vraag daarna voor aan iemand die mij autochtoon leek te zijn. De pinautomaat bleek in de supermarkt te vinden. Toen ik deze binnentrad, passeerde ik glimlachend de vriendelijke heteronoom.




REMEMBERING SLIDING DOORS or BECOMING MR. NOBODY?                     Michiel Hanon

Toen ik van de middelbare school kwam, ben ik in Amsterdam gaan studeren. Het had me veel moeite gekost mijn vader zover te krijgen dat dit mocht. We woonden in Leiden en ik had volgens hem veel beter (lees: goedkoper) in de eigen universiteitsstad kunnen gaan studeren, zodat ik thuis kon blijven wonen. Ik had in het Oosterpark op twee hoog een klein kamertje zonder verwarming bij een ouder, onderhurend echtpaar kunnen bemachtigen.

Om verschillende redenen heb ik al na een maand besloten toch maar in Leiden te gaan studeren, en om voorlopig ook weer thuis te gaan wonen. Mijn vader kwam me met de auto ophalen, waarna we mijn spulletjes inlaadden.

Hoe zou mijn leven zijn verlopen als ik in Amsterdam zou zijn gebleven? Ik heb me dat vaak afgevraagd. Ik zou alle mensen die ik daarna heb leren kennen nooit hebben ontmoet. Ik zou andere vrienden en vriendinnen hebben gehad. Ik zou misschien wel de liefde van mijn leven hebben gevonden, en met haar zijn getrouwd. En ik zou nu kinderen kunnen hebben. Ik neem ook aan dat ik een andere loopbaan zou hebben gehad.

Het leven van een mens is een aaneenschakeling van grote en kleine beslissingen van (allereerst) je ouders en (later) jouzelf, en wordt ook bepaald door datgene waar we niet over hebben te beslissen, Om maar te beginnen met ons chromosomencomplex: waar wordt je wanneer als jongen of als meisje geboren? Ben en blijf je gezond, en met welke talenten ben je toegerust? Verder is er nog iets dat wij “toeval” noemen: het onderdeel uitmaken van, en gestuurd worden door een wirwar van omstandigheden en gebeurtenissen in onze wereld, de jungle waarin wij leven.

Alles, maar dan ook alles zou anders zijn geweest als ik in Amsterdam zou zijn gebleven. Of toch niet? Zou het misschien op hetzelfde zijn neergekomen? Zou mijn leven in grote lijnen overeenkomstig zijn verlopen? Als je ergens anders heen gaat “neem je jezelf mee”, zegt men wel. En “het bloed kruipt waar het niet gaan kan” raakt hier ook aan. Want ik blijf toch de persoon die ik ben: een – zoals ik het nu zie - matig aantrekkelijke vent zonder X-factor, verstandig en vriendelijk, maar geen haantje de voorste. Ik zou natuurlijk andere mensen om me heen hebben gehad, maar het zou waarschijnlijk hetzelfde type vrienden zijn geweest. Ik zou wellicht vergelijkbare relaties met vrouwen hebben gehad. Zeer wel mogelijk zou ik ook ongetrouwd zijn gebleven, want ik ben niet iemand die gemakkelijk grote beslissingen neemt. Ik zal het nooit weten.

Dit blijft natuurlijk maar een gedachte-experiment met betrekking tot één beslissing, want we nemen (door doen en nalaten) dagelijks allerlei beslissingen (althans we denken die te nemen) die ons verdere leven beïnvloeden. Maar de beslissing om Amsterdam te verlaten spreekt tot de verbeelding, omdat deze cruciaal lijkt, en ik toen nog een heel leven te leven voor me had.

Mogelijk zijn grote beslissingen (om nog te zwijgen over de minder vergaande) minder bepalend voor het verdere verloop van ons leven dan we denken. Een beslissing is in onze ogen gelieerd aan de ratio en de eigen wil. Met een beslissing geven we zelf sturing aan ons leven. Maar wat doet ons welke beslissing nemen? Worden beslissingen niet eigenlijk door ons chromosomencomplex ingefluisterd?  De weg van zorgzame en bezorgde ouder slaan wij bijvoorbeeld als jong volwassene als vanzelfsprekend in, hoewel we denken dat we deze zelf kiezen. Het is de natuur die aangeeft dat wij deze weg (willen) volgen. Een min of meer onbewust gedwongen weg van het leven dus.

Misschien wordt ons leven (meer dan we ons bewust zijn) grotendeels ingefluisterd door dit chromosomencomplex, ook als het lijkt te worden bepaald door de  jungle waarin wij leven. Wellicht is het verschil tussen een beslissing nemen en een beslissing krijgen niet zo groot. Mogelijk is mijn beslissing om Amsterdam te verlaten mij ook ingefluisterd. En zou het leven van Mr. Nobody en van Helen in hun alternatieve leven (uiteindelijk) wel zo anders zijn geweest? Het blijft een mooi onderwerp om over te fantaseren, of om een film over te maken.


Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze




NAAR HET STRAND                                                                                    Michiel Hanon

Het was een mooie zomerdag. Tijd om weer eens lekker naar het strand te gaan. Het strand geldt op een dag als deze als oase van onschuld en onbekommerdheid. In onze gedaante van bijna naaktheid wordt de geestesgesteldheid met zacht zand vermengd, en door de zon opgewarmd en week gestreeld. Zorgen worden door het zeewater schoongespoeld, op het droge gezandstraald en ingesmeerd met zonnebrand, en meermalen rondgewenteld. Wat aan kommer rest wordt tijdelijk door de hogere adel opgesloten in de kerkers van met noeste kinderarbeid aan de waterkant opgetrokken zandkastelen, welke door trouwe cipiers en schildknapen worden bewaakt, als deze kommer al niet direct in emmertjes resterende ellende aan de golven wordt toevertrouwd.

Maar het is niet altijd wat het lijkt. Ik spreidde na aankomst mijn handdoek uit in de buurt van twee jonge vrouwen, die heerlijk op ligstoelen van de zon aan het genieten waren. Het was duidelijk dat zij niet konden beschikken over een ondergeschikte ridder of jonkvrouw, en zich daar dus ook niet om hoefden te bekommeren. Gehuld in badkleding van de laatste trend en getooid met modieuze zonnebrillen nipten ze zo nu en dan aan een glas koele rosé. De dames hadden nog niet de leeftijd om aaneengesloten bij elkaar de meest vreselijke verhalen de revue te laten passeren over benen die niet meer willen meewerken of andere gezondheidsperikelen. Maar deze vrouwen waren er voor een dosis wereldse ellende toch vroeg bij. Eén van hen voerde bijna steeds het woord. Gelet op haar deelnemende reacties leek de andere de ernst van de besproken zaken wel te vatten.

De welbespraakte dame deed in geuren en kleuren uit de doeken dat haar zus van de arts had gehoord dat ze zwanger was van een kindje dat “zonder handen en beentjes” geboren zou worden. Ik wist niet hoe letterlijk ik deze opmerking moest nemen. Na lang nadenken konden de vrouwen op het woord: “Softenon” komen, welke naam inderdaad voor altijd verbonden zal zijn aan drama’s die zich vóór hun geboorte hebben afgespeeld. Een “Softenonbaby” is een baby die verminkt is geboren, doordat de moeder tijdens de zwangerschap een kalmerend middel met thalidomide (onder andere van het merk Softenon) heeft gebruikt. Dit werd rond 1960 ontdekt. Ik kon echter niet verstaan waarom het woord Softenon aan de situatie van haar zus werd gekoppeld. Er zal wel een andere oorzaak in het spel zijn geweest. Het was al te laat voor een “gewone” abortus, zei ze verder nog. Welk een dilemma voor een jong stel! Ik hoop althans dat ze een meevoelende partner heeft, en er niet alleen voor hoeft te staan. En op het moment dat deze toekomstige moeder dit vernam, overleed ook nog haar geliefde schoonvader, verklaarde ze aansluitend.

Rimpelloos ging deze conversatie over in het lot van twee vrienden van de pratende vrouw. De ene had onlangs een ernstig auto-ongeval gehad. De man had in coma gelegen, en was na het ontwaken overgebracht naar een instelling voor “de meest ernstige gevallen”. “Dan kun je nagaan hoe hij erbij gelegen moet hebben”, voegde zij er vrij overbodig aan toe. De andere vriend was motorrijder. Toen ze dit woord had laten vallen, wist ik al dat er iets heel ergs zou komen, want met motorrijders loopt het nogal eens slecht af. Deze vriend kreeg inderdaad een ernstig ongeval, vlak voordat zij van plan was geweest hem te bellen voor een afspraak. Ja, dat ging toen niet meer door. Aansluitend verhaalde ze over een kennis die na een diepe val bij het bergbeklimmen in de Alpen totaal verlamd raakte. Ik kan me voorstellen dat ook hij is overgebracht naar een instelling voor “de meest ernstige gevallen”, maar de rest van het verhaal heb ik niet afgewacht.

Ook jonge mensen krijgen het nodige voor hun kiezen! Deze vrouwen waren kennelijk gezegend met een gezond en sterk incasseringsvermogen. Ik kon niet bespeuren dat het strandgenoegen er bij hen onder heeft geleden. Het was alsof het leed samen met het zeewater van hen afgleed. Ikzelf kon het echter niet meer verwerken en was bang slaapproblemen te krijgen. Hier was ik niet voor gekomen. Ik besloot mijn handdoek op te pakken en ergens anders te gaan zitten, op een plek waar ik weer tot rust kon komen.

Ik streek neer niet ver verwijderd van een – naar later bleek – yoga- en meditatielerares van middelbare leeftijd. Dit leek me wel een verfrissende omgeving. Ik kwam te weten dat je door de door haar aangehangen leer – welke was omgeven met geheimzinnig klinkende Oosterse namen - jezelf beter zou leren kennen, en minder zwaar aan het leven zou gaan tillen. Door je hiermee te verrijken zou je weerbaarder worden. Ze liet een naast haar gezeten vrouw echter ook weten dat het na verloop van tijd tot haar was doorgedrongen, hoe gemakkelijk zij door bepaalde mensen als goeroe werd gezien, en dat hier een gevaar voor misbruik in school. Al dan niet tijdelijk kwetsbare mensen zochten niet alleen steun in de door haar verkondigde leer, maar ook in haar als persoon. Tot haar eigen verbazing werden haar uitlatingen steeds voor zoete koek aangenomen, en nooit in twijfel getrokken of gecontroleerd. Dit beangstigde haar uiteindelijk zo, dat zij een “time out” als lerares nam, en onlangs opnieuw was begonnen.

Ik probeerde me een stereotiep beeld van een goeroe voor de geest te halen. Ik kwam niet verder dan een aimabele, met gekruiste benen op een matje zittende oudere man met baard, met een geruststellende en positieve oogopslag. Zij voldeed bepaald niet aan dit beeld (en niet alleen omdat zij begrijpelijkerwijs geen baard had). Niet dat er iets aan haar mankeerde, maar zij had toch niet dat charismatische, die uitstraling die je van een goeroe verwacht. Kennelijk heeft een ieder de potentie om door bepaalde anderen als goeroe te worden beschouwd. En hier zal de volger niet weerbaarder van worden.

De vrouw had haar best gedaan om na dit inzicht haar volgelingen op correcte wijze van zich los te weken. Ik moet zeggen dat ik dat wel in haar kon waarderen. Ze heeft niet willen genieten van de macht die verbonden is aan de positie van meesteres, waar anderen dat wellicht wel hadden gedaan. Kwetsbare mensen met een zwak weerstandsvermogen zal de trainer ook in de toekomst wel in haar werk tegen blijven komen, maar ik hoop dat ze nu het gereedschap heeft om vanaf het begin te grote afhankelijkheid te voorkómen. De vrouw vertelde dat ze ook haar wervende website had aangepast. Ze vroeg haar gezelschap daar eens naar te kijken, en te laten weten hoe deze overkomt.

De mooie stranddag liep ten einde. Steeds meer mensen maakten aanstalten om te vertrekken. Als de zon gaat rusten, nemen de meeuwen bezit van het strand. De stoere ridders en bevallige jonkvrouwen werden onder commando van meedogenloze, landinwaarts trekkende hogere adel afgevoerd, als ware het gewone schildknapen. Met een gemak alsof het in een handomdraai gevormde zandtaartjes betrof, werden de met niet aflatende energie en met vereende krachten door deze hardwerkende kindsoldaten gebouwde, en fel verdedigde zandkastelen en vestingen aan de machtige zeerover prijsgegeven. Deze superpiraat achtte de kust nu veilig, en vernietigde nietsontziend in enkele rake klappen de bouwwerken. Alsof er een tsunami langs kwam, werden verwoed gegraven grachten en watergeulen overspoeld, en kuilen in korte tijd met slibzand gedempt.

Wat aan kommer tijdelijk in de kerkers was opgeslagen ging mede te gronde. Voor de hogere adel een pluspunt van deze heerlijke stranddag. De ridders en jonkvrouwen hebben echter nooit geweten wat zij in de kerkers van hun kastelen herbergden. En dat is maar goed ook. Gedurende de stranddag vertelde verhalen en geuite ervaringen werden rigoureus en zonder check op eeuwigheidswaarde met de wind meegevoerd, tenzij daadwerkelijk bij de menselijke eindbestemming aangekomen en begrepen, of tijdig opgetekend. Ook ik was weer de nodige ervaringen rijker, en ploegde met zware stappen door het mulle zand. Op weg naar mijn fiets.

Verschenen in: "Zomertijd 4" korte verhalen, van Jaylen Books 2013



PASSEERPERIKELEN                                      Michiel Hanon

Beste lezer,

Een groet is een geritualiseerd gebaar, het passeergroeten een belangrijk intermenselijk gebeuren. Mensen die elkaar in meerdere of mindere mate kennen, en elkaar tegenkomen, plegen elkaar te groeten. Of niet.

Dit al dan niet groeten (en de wijze waarop) is aan allerlei regels gebonden. Mensen bevinden zich regelmatig in een zogeheten groetpositie. Dit is een situatie waarin de meerderheid der mensen vindt dat je elkaar – alle omstandigheden in acht nemend -  behoort te groeten. Gevallen waarbij mensen niet groeten omdat ze elkaar geen knip voor de neus waard vinden, of elkaar de hersens wel kunnen inslaan, worden dus buiten beschouwing gelaten. Deze groetpositie is het centrale begrip in het groetdenken. Het niet-groetpositie conform gedrag is een groot maatschappelijk probleem.

Als we het groeten nader analyseren, komen we tot het volgende. Hoe begint het groetritueel? Stel iemand groet je, en je kunt nog op tijd teruggroeten. Dan doe je dat. Dit nodigt uit om bij de volgende ontmoeting het initiatief tot groeten te nemen. Je hebt er vertrouwen in dat de groet zal worden beantwoord. En dat gebeurt dan ook. Je maakt op deze wijze een groetafspraak.

Een afspraak kan openlijk, dan wel stilzwijgend tot stand komen. Dus ook de groetafspraak. Er is een groetafspraak, dus er is ook een niet-groetafspraak. Als je iemand nadert met wie je een niet-groetafspraak hebt, kun je allebei het hoofd afwenden. Je ziet elkaar toevallig even niet.

We onderscheiden de groetafspraak en de groetrelatie. Wanneer gaat een groetafspraak over in een groetrelatie, en wat zijn de kenmerkende verschillen? De groetrelatie is uitbundiger, gaat wederzijds gepaard met tenminste een brede glimlach, en is alleen uitdrukkelijk af te spreken.

Dan is er nog de groetfrustratie: je bent in een wilde bui en denkt: ik neem het initiatief om iemand voor het eerst te groeten. Deze groet wordt met kennelijke opzet niet beantwoord. Je neemt je voor deze persoon nooit meer te groeten. Soms is het bij buren maar moeilijk een complete complottheorie te onderdrukken: heeft de niet groetende buurman van een andere buurman iets negatiefs over jou gehoord? Deze lariekoek zou dan voetstoots als waar zijn aangenomen, zonder het bij jou te toetsen.

Het groeten van bekenden of buren geschiedt in allerlei vorm. Het varieert van (ook nog) groeten als de ander je niet heeft gezien, zodat  je moet roepen om diens aandacht te trekken, tot alleen groeten als dit niet is te ontlopen. Een voorbeeld van de eerste vorm: een moeder of vader van jonge kinderen die met haastige spoed op de fiets springt om een kind weg te brengen, wordt vanaf een afstand feilloos door een andere jonge ouder uit de straat gedetecteerd en begroet. Een voorbeeld van de tweede vorm: je komt elkaar op de stoep tegemoet, en je kan echt geen excuus bedenken om het hoofd af te wenden of om snel nog even de straat over te steken.

Ook rond de werkplek zie je variëteiten. Enerzijds heb je de collega waar je lang geleden eens mee kennis maakte, al was het maar op een enkele cursusdag, die jou nog steeds vriendelijk groet. Ik heb zelfs een groetafspraak met enkelen die ik nimmer heb gesproken! Anderzijds is er de naaste collega, met wie je de dag daarvoor nog een prettig gesprek had, maar die nu langs jou loopt alsof hij je nog nooit heeft gezien.

Is het zo dat je bij het groeten “krijgt wat je geeft”? Nee, niet altijd. Er gaat veel mis bij het groetritueel. Zoals gezegd: het niet-groetpositie conform gedrag is een groot maatschappelijk probleem. Als er een tijdelijk manco is, kan men nog wel denken aan een groetgriepje. Bij wat ernstiger gevallen is er sprake van een groetapraxie, mogelijk veroorzaakt door zware dys-empathie.

Misschien zijn er in het land al initiatieven tot verbetering genomen, is ergens al een plan van aanpak opgesteld. Helpt wellicht een overheidsspotje “Groeten moet”, of wil iemand “Groeten voor dummies” aan de schier oneindige boekjesreeks toevoegen? Is het politiek een haalbaar idee om een groetplicht in te stellen, en een niet-groetboete te heffen? Mogelijk heeft het plaatsje Groet groetbepalingen in de APV opgenomen, of wordt ergens al de groetknoet gehanteerd. Misschien kunnen bepaalde mensen voor een leergang groeten naar een Groetacademie worden gezonden. Is er in de Groetpolder niet al een groet-zorgboerderij, waar een Moaj- of Morrie-module wordt gegeven?

Als we de wereld willen verbeteren, laten we dan beginnen met het groetgedrag.

Met vriendelijke groet,

Michiel Hanon

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze 

 



SCHEVENINGSE BOSJES                                 Michiel Hanon

Als ik de Scheveningse Bosjes betreed, gaat het over het algemeen als volgt. Als eerste zie ik de loslopende hond of – nog erger – honden. Ik doe globaal onderzoek naar het type hond, en schat in of er gevaar dreigt. Ik zoek de baas, want deze houdt zich gelukkig daar meestal ook op. Als de baas is gevonden, schat ik in of deze overwicht heeft over het betreffende dier. Dit bepaalt of ik met een redelijk gerust hart kan naderen en passeren. Tot de volgende hond opdoemt, en dit ritueel zich herhaalt. Van een rustige wandeling is meestal geen sprake, en vrijuit mijmeren is er daarom niet bij.

Ik geef toe, het is minder beangstigend dan het wandelen langs boerderijen of afgelegen luxe villa’s, waar honden, met kennelijke instemming van hun baas, menen het territorium te moeten verdedigen. Over wat van dit territorium deel uitmaakt, kunnen hond en ik van mening verschillen. Het liefst neem ik daarom een flinke wandelstok voor eventuele calamiteiten mee. Als het niet zou zijn verboden, zou ik een agressief dier zo nodig verrassen met een portie pepperspray. Ooit ben ik ergens door een hond van het model “kalf” in mijn dij gebeten. Ik was nota bene op de fiets, maar kon mij toch niet snel genoeg “uit de voeten” maken. Ik ben maar meteen doorgereden naar de EHBO-post van een ziekenhuis, waar ik een tetanusinjectie kreeg.

In de Bosjes loopt het zo’n vaart gelukkig niet. Hier voel je je om een andere reden minder welkom. Ik zie hondenbezitters bij het passeren steevast denken: “Meneer, u heeft geen hond. Wat doet u hier, zo zonder doel? Wij mensen en honden zijn één grote familie. Wij kennen elk weggetje, ieder bankje. Wij babbelen hier dagelijks met elkaar, en ook onze honden snuffelen altijd opnieuw aan anderhonds achterkantjes. Ik vind het onnodig u te begroeten”.

“Flater, wat ben je vandaag aanhalig!”. “Ik zie Gabber al. Ga maar kijken!”.

Weer wel leuk zijn de jongeren die na schooltijd met elkaar bij bepaalde bankjes afspreken. Het gaat me niets aan, maar ik meen deze bankjes inmiddels te kennen. Meestal gaat het om een jongen en een meisje, die zo op elkaar zijn gefocust, dat er bij hen geen probleem met honden zal leven. Een bankje in de Bosjes van de Hofstad voldoet in zekere zin aan de wens van geliefden om zich af te zonderen. De beslotenheid is natuurlijk niet optimaal. Als ik langs loop, voel ik dat de jongeren denken: “Meneer, loopt u gauw door. Wij willen graag wat privacy, kunt u geen ander weggetje nemen? U heeft geen hond, wat heeft u hier eigenlijk te zoeken?“.

Toen ik laatst langs één van mijn Romantische bankjes liep, zag ik een duidelijk zenuwachtig rondkijkende jongeman daarop wachten. Naast hem lag een bosje bloemen. Een bosje in de Bosjes. Zou hij bij zijn vriendin wat goed te maken hebben? Of is hier  sprake van een aanzoek, een begin van wederzijdse liefde? Een mogelijke relatie, later leidend tot een gezin met een leuke hond erbij.

Gelukkig bieden de Scheveningse Bosjes ook gelegenheid tot een heel ander soort ontmoeting dan tussen hondenbezitters, respectievelijk honden, en is het voor een hondloze loper met een idee-fixe over ongenodigd zijn toch boeiend om in te vertoeven.

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze

 

 

VERLOREN RIJKDOM                                                         Michiel Hanon

Koos:
Dank voor je e-mail. Op de een of andere manier heb ik in mijn hoofd dat wij onlangs met elkaar gemaild hebben, hoewel ik daar geen bewijzen van zie in mijn mailbox. Ik dacht zelfs dat we een afspraak hebben gemaakt, hoewel ik die niet in mijn agenda zie, ook geen gemiste. Zou ik het hebben gedroomd?

José:
Dat klinkt spannend. Leuk idee voor een thriller of roman. Het meest voor de hand liggend lijkt me inderdaad dat je hierover hebt gedroomd. Wie weet deed ik hetzelfde op hetzelfde moment, maar weet ik me dat, zoals meestal, niet meer te herinneren. Bij mij komt er een enkele keer “in real live” ineens iets op, waarvan ik me dan herinner dat ik erover heb gedroomd. Maar dan weet ik wel zeker dat het een droom is geweest. Nee, we hadden nog geen contact na de vakantie. Heb je de komende tijd nog mogelijkheden of wil je er “een nachtje over slapen”, dan kun je DroomKoos consulteren?

Koos:
Ha, ha. Ik vertrouw toch maar liever op mijn “real live me” als sturingsmechanisme. Ik mail je nog over een datum.  Over vakantie gesproken, ik zag eens op tv het programma: “Achter de voordeur”. Het ging over een man die een hersenbloeding heeft gehad, en zich gebeurtenissen van nadien nog maar ongeveer drie dagen kan herinneren. Ik vraag me af: heeft het voor hem nog wel zin om met vakantie te gaan? Hij kan zich wat hij heeft gezien en beleefd later toch niet meer herinneren….

José:
Boeiende gedachte. De persoon die het betreft komt zo wel mooi af van vervelende herinneringen en eventuele psychotrauma’s. Jij vraagt je daarbij dus af: wat is belangrijker, het korte moment van beleven of het je (nog lang nadien) kunnen herinneren van de belevenis?

Koos:
Ja. Je zou zeggen het eerste. Maar negeren wij dan niet teveel het belang van het herinneren in het leven? Bepalen herinneringen niet mede wie wij nu zijn, hoe wij vandaag de dag in het leven staan? Kijk maar naar de man over wie ik het in mijn vorige e-mail had. Dat brengt me op de volgende vraag: wat is waar? Stel je hebt naar je gevoel al het moois in het leven gezien en meegemaakt. Later hoef je dan niet meer zo nodig gelijke of vergelijkbare dingen te doen. Is dat omdat je al in het bezit bent van mooie herinneringen, of is het meer zo dat je voorziet dat deze belevingen niet meer kunnen worden overtroffen? Wat denk jij?

José:
De waarde van (fijne) herinneringen moet je niet overdrijven. Zijn ze eigenlijk wel meer dan een souvenir, een bewijs dat je je leven goed hebt besteed? Richt je op het heden en de toekomst, zou ik zeggen. Stel je je dit soort vragen ook als je terugdenkt aan ons, toen we nog samen waren? Op deze wijze kunnen herinneringen je ervan weerhouden een nieuwe relatie aan te gaan.

Koos:
Ik denk dat het wel moeilijker wordt. Wat ik nog wilde zeggen: soms heb ik een verlangen naar iets dat ik eerder heb meegemaakt, zonder dat het op dat moment – ik weet dit niet zeker, maar het moest haast wel – door mij zo geweldig werd gevonden. Ik herinner me bijvoorbeeld – om maar bij onze relatie te blijven – dat wij op vakantie in een zuidelijk land bij een restaurantje buiten hebben gedineerd. Ik denk dan: heerlijke vakantie, mooi weer, lekker eten, wij samen. Maar was het daar allemaal wel zo fantastisch? Genoot ik  wel zoveel van het moment als nu van de herinnering? Is die herinnering niet mooier geworden, omdat ik daar nu niet meer kom, of omdat ik toen jonger was? Wat was er toen eigenlijk “on my mind”? Niets ten nadele van onze relatie, hoor!

José:
Dat verlangen ken ik wel. Vergeet ook niet de verlammende hitte, de vermoeiende tochten langs verdorde streken en stoffige dorpen, de praktische beslommeringen, de onvermijdelijke kleine irritaties. Bij dat etentje dat jij waarschijnlijk voor ogen hebt, zijn wij bij de nota nog afgezet, weet je nog? Het was niet altijd zo romantisch. Je geeft het zelf al aan: herinneringen kunnen vervagen, veranderen of zelfs geheel of gedeeltelijk verdwijnen. Anyway: de tijd gaat verder. Wat toen was, komt nooit terug.

Koos:
Je hebt gelijk. En laten we goed voor ogen houden: het beeld van toen is voor ons altijd nog helderder en accurater dan voor de man in het tv programma: “Achter de voordeur”. Hij leest iedere dag een lijstje dingen met feiten: wie ben ik, in wat voor fysieke en sociale omstandigheden leef ik (mijn rol als echtgenoot, als vader, etc.). Als het echtpaar bij anderen op bezoek gaat, moet zijn vrouw hem steeds vooraf weer bijpraten (wie zijn die mensen, in welke relatie staan we tot elkaar, etc.). Hij herinnert zich zijn broer nog zoals deze tien jaar jonger was, met een bos haar op het hoofd. Steeds als hij zijn broer nu ziet, verbaast hij zich opnieuw over zijn kale kop. En dat verschil wordt alleen maar groter naarmate de tijd verstrijkt. Deze broer zegt dat hij steeds meer “van hem af gaat”. En het is triest dat de broers geen gemeenschappelijke herinneringen meer kunnen opbouwen.

José:
Dat was een bijzonder programma. Helaas heb ik het gemist.

Koos:
Wij zien elkaar nu soms weer. Gewoon gezellig. Dat is goed. Ik weet niet meer alles van je, zoals vroeger (althans, dat dacht ik toen te weten), maar we groeien toch nog een beetje samen verder. Als we elkaar nooit meer zouden zien, zou ik zo’n beeld van jou hebben als de man in dat tv-programma van zijn broer: een jonge, spontane, energieke vrouw, die nog een heel leven voor zich heeft. Een vrouw om verliefd op te worden. Nee, dan maar liever de vrouw zoals zij nu is: voorzichtig, met rimpels en grijze haren, en soms een bezorgde blik in de ogen.

José:
Ik kan bijna niet meer bedenken, hoe het was, wij samen. Gek, hè. Het is alweer zo lang geleden. We verdroegen toen veel van elkaar. Hoe deden we dat? Waren we zo gewend geraakt aan het samen zijn? Dat samen zijn leek zo vanzelfsprekend. Zoveel, dat we onze relatie in de loop van de tijd moeten hebben verwaarloosd. Als we het over mochten doen, zouden we het dan anders doen? Zeg niet te snel: ja. Herinneringen veranderen meer dan wijzelf.

Koos:
Zo zal het wel zijn, hoewel ik denk: ik zou meer mijn best doen je niet te verliezen. Ik wil nog even terugkomen op wat we eerder schreven over dromen. Ik mailde je dat ik me soms per toeval een stuk droom herinner. Ik doe ook vaak mijn best er na het ontwaken nog iets van terug te halen. Het is alsof je een grote muur aan het bestuderen bent, en ergens een klein gaatje ontdekt. Als je door dat gaatje gluurt, zie je een deel van een geheime tuin. Dat is je droom. Ik moet bekennen dat ik jou op meerdere momenten in die tuin ben tegengekomen. Wij beleefden verschillende dingen, maar nooit wat wij eerder “in real live” samen deden. En het was altijd de José van toen, niet die van vandaag. Nu ik het toch over deze andere wereld heb, soms denk ik wel eens: na dit leven kom je in een toestand waarin je weet dat je hebt geleefd. Alleen weet je niet meer hoe, waar, etc., zoals het wakker worden en weten dat je hebt gedroomd, maar je kunt je de details niet meer herinneren. Wat denk je, als dat zo is, en we gaan op zoek naar gaatjes in de muur, zullen wij elkaar dan weer tegenkomen?

José:
Vast wel. Maar je gedachten zijn nogal speculatief. Laten we maar even stoppen met het ordenen van onze verloren rijkdom. Ik moet weer aan het werk. Ik spreek je binnenkort.

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze

 

 

CHANGEMENT                                         Michiel Hanon

Op een mooie zomerdag betreed ik na een wandeling door Amsterdam het grasveld van het Vondelpark, en vlij mij daarop neer. Alles is vredig en lommerrijk om mij heen, een zomerse picknick van zaligheden. Niets weekt zich verveeld van deze veelheid los. Aan mijn gesloten ogen danst een ballet van toevallige gedachten voorbij. Niets detoneert; niets mag er niet bij zijn. 

Ik vang een aaneenschakeling van gebabbel over jongens op. Althans, zo komt dat op een oudere man als ik over. Het wordt geproduceerd door twee jonge meiden, die op enige afstand naast mij op het gras zitten. Het “gesprek” gaat ook over hen bekende andere jongedames, zij het altijd gerelateerd aan jongens. En deze meiden zijn het steeds helemaal met elkaar eens, althans zo lijkt het. Maar – denk ik dan - in wat elk bij het gezegde denkt, en welke consequenties dit voor ieder heeft, zit misschien wel een wereld van verschil. Ik vraag me af of wij mensen ooit echt met elkaar kunnen communiceren.

Het gesprek wordt verstoord door de toevallig langslopende Daan, want ik hoorde één van de meiden deze naam noemen. Een jongeman dus. Maar toeval bestaat niet, want alles is toeval. De oneindig voortkabbelende verhaallijnen worden abrupt afgebroken. Het lijkt ineens te gaan over “de meisjes tegen de jongens”, maar nog even niet in de zin dat deze groepen elkaar niet begrijpen. Ik voel dat de komst van de jongen van groot belang wordt geacht, en dat deze ontmoeting datgene is waar het in de leefwereld van de meisjes om draait. Wat hieraan voorafgaat is maar voorbereiding, droogzwemmen.

Het is te merken dat Daan iemand is die één van de meiden maar zijdelings kent. Maar hij krijgt alle aandacht van het betreffende meisje (voor mij meisje 1). Het andere meisje (voor mij meisje 2) zit er werkloos bij. Ze is nu even niet belangrijk voor meisje 1. Meisje 2 gaat haar smartphone maar eens raadplegen. Tot mijn verbazing vertrekt ze vervolgens, de anderen “in combat” achterlatend. Meisje 2 neemt vriendelijk afscheid.

Ik overweeg dat het echte leven nu voor meisje 1 kan aanvangen. Zaten de twee meiden eerst in de richting van de zon naast elkaar, Daan en meisje 1 zitten tegenover elkaar. Het onderhandelen kan beginnen. Nu komt het er op aan, want niet eerder stak meisje 1 een sigaret op. Naar mijn idee is alles tussen mensen een continue strijd om belangen, en de belangen bij deze jonge mensen zijn groot. Ook zullen ze, als ze samen blijven, gaan merken dat ze elkaar vaak niet begrijpen, omdat er een wereld van verschil is tussen man en vrouw, en een en ander regelmatig “uitgepraat” moet worden. Iets wat de man dan misschien wel “toestanden” zal noemen. De tijd zal het leren.

Ja, de Tijd. Die gaat altijd maar één kant op! Elke voorstelling is een première, en wordt niet opnieuw opgevoerd. Deze mensen zijn jong, aantrekkelijk, ze neigen naar elkaar, zitten samen in een kring. Ze praten zachtjes, zijn het met elkaar eens. Ze zijn ongemerkt de mooiste tijd van hun leven aan het beleven. De tijd waarin het toeval nog goud waard is.

Wij ouderen worden niet bij dit spel toegelaten. Onze tijd is bijna voorbij. Ik stap maar weer eens op, het zal deze dag nog lang licht en lekker zijn. Op weg naar een eigen première, waarin ik niet louter commentariërend toeschouwer ben. Waarin het toeval hopelijk nog iets leuks toevoegt.

Verschenen in: "Zomertijd 6" korte verhalen, van Jaylen Books 2014 

 

 

HET TERRAS                                Michiel Hanon

I.

Ik weet wel wat het mooiste is: een mix van nostalgie (alleen al het uitspreken van woorden als: “Luzern” of: “Vierwoudstedenmeer” doen me wat, omdat ons gezin in mijn kindertijd daarheen op vakantie ging) en romantiek (samen met een aantrekkelijke vrouw op een zonnig terras aan een meer zitten, in een door mij te mooi gevormde voorstelling van zaken).

Als rechtgeaard Nederlands kind werd ik op vakanties tot water aangetrokken. Ik drong er bij mijn ouders op aan te kunnen spelen bij een meer, een rivier of een (liefst snelstromende) beek. Ik bezat of fabriceerde mijn eigen bootjes, bouwde dammen in het water, en liep graag over glibberige stenen in de beek of rivier.

In die tijd voerde de reis per auto naar Zwitserland deels nog over provinciale wegen. Die trip was daardoor een afwisselend avontuur. Op de achterbank gezeten dacht ik stilletjes aan het meisje van school waar ik heimelijk op verliefd was. Om toch samen te zijn, nam ik haar in gedachten mee op reis. Naar buiten kijkend, terwijl mijn ouders de route doornamen of andere onbelangrijke zaken bespraken, zag ik haar plotseling uit een huis langs de weg komen, of vanaf een bankje in een tuin of op een plein naar me wuiven. Of ik betrapte haar ineens te lachen naar een mij onbekende jongeman die naast haar zat. Soms kreeg ik het te kwaad, en verlangde ik alweer naar het nieuwe schooljaar.

Tijdens onze eerste vakantie naar Zwitserland, op weg naar Luzern, streken we neer in een gezellig hotel van een bergdorp. Mijn ouders hadden het daar erg naar de zin: er was een mooie waterval en de kinderen konden lekker aan het meer spelen. We hebben er in volgende jaren nog een aantal malen (in hetzelfde hotel) onze zomervakantie doorgebracht. Ik kan me herinneren dat ik hier met mijn eerste eigen fototoestel, een Agfa Clack, aan het fotograferen ben geslagen.

Is dit nostalgie? Is dit ook romantiek?

II.

Ik weet dus wel hoe het komt, dat ik een gevoel van weemoed krijg als ik in een tijdschrift een foto zie van een leuke jongedame op een terras aan het water in Luzern. Ze is in gesprek met iemand, maar de foto toont niet met wie.

Ik kan wel naar Luzern reizen, en op dit terras aan het water plaatsnemen, maar menselijkerwijs gesproken zal ik daar niet datgene kunnen vinden wat ik me bij het zien van de foto voorstel. En misschien was deze jongedame ook niet in gezelschap van een aantrekkelijke man, maar van haar ouders. Dit terwijl het gesprek werd gevoerd over weinig romantische vraagstukken als in welk jaar de Kapelbrug werd gebouwd of wanneer de ober weer eens langs zal komen.

Ik leg het tijdschrift opzij en verlaat mijn huis, om enige tijd doelloos door de stad te wandelen. Bij iedere slag van een kerkklok verschijnt bij mij een andere herinnering aan het bergdorp. Ik besluit toch naar Zwitserland te gaan, en rij de lange weg naar dit bergdorp, dat nu een (buiten het hoogseizoen)  verlaten stadje blijkt te zijn. Ik herken nog het hotel, de waterval en sommige weggetjes. Alleen het kerkje groet met opgewekt klokkenspel, als hij mij herkent.

Het smalle pad naar het meer aflopend, signaleer ik een oud-schoolgenote. Ik verbaas me erover het vermogen te beschikken deze snelle herkenning mogelijk te maken, want er zijn maar weinig overeenkomsten tussen haar verschijning en mijn herinnering. De vrouw is alleen en loopt me tegemoet. Ik waag het om haar aan te spreken. Bekomen van de schrik onverwacht in haar eigen taal te worden aangesproken, zegt ze mij vaag te herkennen, en vertelt vroeger in dit bergdorp vakanties te hebben doorgebracht.  Ik sta oog in oog met een oudere vrouw, ontdaan van aantrekkelijkheid en spontaniteit. De tijd van leven staat op haar huid gegroefd.

Uit een meer van onuitgesproken gedachten plukt ze voor mij een boeket levensfeiten van loopbaan, kinderen en activiteiten. Een schets van een gewoon leven. Een leven met vreugde, maar ook veel zorgen en verdriet. Terwijl zij verhaalt, ontstijgen diepe zuchten uit haar wandelschoenen. Ze lijkt hier op zoek naar haar verlatenen.

Na enige tijd hervat het klokkenspel zijn klanken. We hebben elkaar niets meer te zeggen. Weer thuisgekomen graaf ik mijn fotoboek op. Foto’s in zwart-wit, maar we zijn daarop nog samen.

 

Als column te lezen op de website van het literair tijdschrift Extaze